Belgium PDF Print E-mail


Deelneming aan de Eucharistie

Een verklaring van de International Ecumenical Fellowship (IEF)

(Goedgekeurd door de algemene vergadering in Písek, 28 juli 2007)


I. Stappen naar de zichtbare eenheid van de kerk

1. De International Ecumenical Fellowship (IEF) is ontstaan met het krachtige missie en visie van het Fribourg Statement (1967): “Door gebed, studie en actie poogt de International Ecumenical Fellowship (IEF) de beweging naar de zichtbare eenheid van de Kerk te dienen, overeenkomstig de uitdrukkelijke wil van Jezus Christus, en op de wijze die Hij wil.”

2. Wij, als leden van IEF, blijven bij de gelegenheid van de veertigste verjaardag van onze stichting, zeer dankbaar voor de verrijkende en gezegende decennia van bijzondere ervaringen van eenheid in de Geest. Stap voor stap heeft IEF zich ontwikkeld van een oecumenische beweging naar een oecumenische gemeenschap van wederzijdse erkenning als zusters en broeders in het Lichaam van Jezus Christus, op basis van het éne doopsel.

3. Sinds de aanvang van IEF hebben wij als christenen uit verschillende denominaties, door het ontdekken en beoefenen van ons één-zijn in Jezus Christus, gepoogd om vandaag reeds de Kerk van morgen te beleven in vreugde, hoop en liefde.

4. Wij beleven deze eenheid in IEF door middel van de jaarlijkse internationale congressen, door samenkomsten van de nationale regio's en van kleinere lokale groepen, door oecumenische contacten en actie tussen leken en geestelijken, in samenwerking met nationale oecumenische structuren en andere oecumenische organisaties, in het bijzonder door gemeenschappelijk gebed en eredienst. Al deze gebeurtenissen zijn gelegenheden om ware christelijke liefde voor elkaar te tonen.

5. Samen bidden en liturgie vieren staat centraal voor IEF. Hier zoeken wij naar éénwording met God en met elkaar, door het ervaren van de kracht van de Heilige Geest in helende en bevrijdende handelingen en in gemeenschapsopbouw.

6. Naast deze positieve aspecten, delen wij ook de pijn omdat de volle gemeenschap van kerken en eredienst nog niet gegeven is. Menselijke zonde en beperkingen in onze kerken zijn namelijk hinderpalen voor de kracht van de Heilige Geest tot bekering en omvorming.

7. Goedkoop oecumenisme is niets voor ons; evenmin goedkoop gemeenschappelijk geloof, dat niets kost. In tegendeel, wij geloven in en beleven een kostbaar oecumenisme, waarbij - recht doend aan de woorden van Jezus Christus tot Zijn Vader "dat zij allen één mogen zijn" (Joh 17,21) - wij het risico aangaan van bevragen en bevraagd worden.

8. In gemeenschappelijk gebed en liturgie beleven wij vreugde om de rijke verscheidenheid aan liturgische tradities van andere denominaties en van de Kerk als geheel, in eenheid die onder ons al bestaat. Maar juist door deze ervaring worden wij ons bewust van onze verdeeldheid, in het bijzonder wanneer we uitgenodigd worden aan de Tafel van de Heer.

9. De Eucharistie, die door Jezus Christus zelf ingesteld werd, is de krachtigste uitdrukking van de eenheid in het Lichaam van Christus, alsook bron en hoogtepunt van het gehele christelijke leven. Verdeeldheid is het pijnlijkst op dit punt, waar wij het schandaal van een verdeelde christenheid moeten ervaren en erkennen, alsook ons falen om Jezus Christus’ woorden “Drinkt hiervan, gij allen. Dit is mijn bloed van het Verbond, uitgegoten voor velen” (Mt 26,28), ten volle te beleven.

10. Daarom dient het zoeken, vinden en ontwikkelen van nieuwe oplossingen om het schandaal van verdeeldheid bij de eucharistie te overwinnen een duidelijke prioriteit in de zending en visie van IEF te zijn, teneinde een authentiek getuigenis te brengen als een beweging naar de zichtbare eenheid van de Kerk.

II. Spirituele en pastorale aanbevelingen aangaande eucharistische deelneming

A. Spirituele en pastorale aanbevelingen

11. De kerken waartoe wij behoren, nemen uiteenlopende standpunten in aangaande het deelnemen aan de eucharistie, welke op verschillende theologische benaderingen steunen (zie de nrs. 26–36). Rekening houdend met deze houdingen van de onderscheiden denominaties, zijn wij er ons van bewust dat een verantwoordelijke benadering van eucharistische deelneming een klaarder verstaan van de kern van ons geloof vereist - inclusief de vragen aangaande het ambt, de wijding, de episcopale en synodale structuren, en de apostolische traditie en successie.

12. Gegeven het voorgaande is onze spirituele en pastorale aanbeveling aangaande de eucharistische deelneming de volgende: Of iemand Jezus Christus' uitnodiging aanneemt om in een gegeven viering deel te hebben aan zijn Lichaam en zijn Bloed, is fundamenteel een verantwoordelijke en persoonlijke beslissing van het geweten, die te nemen is met respect voor de regels van de eigen kerk en van de andere kerken.

B. Traditie, gemeenschap en gewetensbeslissing

13. Wij staan in de traditie en gemeenschap van onze respectievelijke kerken. Wij zijn trouw aan de daar geldende regels, welke wij dienen te respecteren, in acht te nemen en te volgen.

14. Tussen de belangrijkste protestantse en anglicaanse denominaties bestaan er belangrijke overeenkomsten aangaande de eucharistieviering, die intercommunie en eucharistische gastvrijheid aanbevelen. Deze staan open voor alle gedoopten die in de eigen kerk gerechtigd zijn deel te nemen aan de eucharistie.

15. De eucharistische erediensten op internationale congressen zijn niet alleen een uitdrukking van geloof en liturgie van de respectieve kerken, maar zij weerspiegelen eveneens de groeiende gaven van eenheid, liefde, vreugde en gemeenschap in de Heilige Geest.

16. Eucharistische deelneming vereist altijd een verantwoordelijke en persoonlijke gewetensbeslissing, aangezien de stem van ons geweten door elk van ons dient gevolgd te worden. Ons geweten dient goed gevormd te zijn en rekening te houden met de regels en bepalingen van de eigen kerk.

17. Er wordt gesuggereerd om op internationale congressen, naast de denominationele eucharistische erediensten, ook een eucharistieviering volgens de oecumenische Lima liturgie te houden.

C. Spirituele en pastorale begeleiding

18. De verantwoordelijke en persoonlijke gewetensbeslissing dient gerespecteerd te worden. Wanneer de gewetensbeslissing is genomen, dienen wij daarenboven, als leek of als gewijde, desgewenst spirituele en pastorale begeleiding en ondersteuning van de gemeenschap te krijgen.

19. Wij worden ertoe opgeroepen om in alle gevallen onze wijsheid, ons onderscheidingsvermogen en onze geloofszin aan te wenden bij de beslissing of het vanuit spiritueel of oecumenisch oogpunt dringend geboden is om aan de eucharistie deel te nemen. Wanneer de gewetensbeslissing ertoe leidt de voorschriften van onze eigen kerk te volgen, mogen wij nooit gebrandmerkt worden als onoecumenisch. Zet ze echter aan om in te gaan op de uitnodiging der eucharistische gastvrijheid, dan mogen wij nooit beschouwd worden als in mindere mate trouw tegenover onze eigen kerk.

D. Eucharistische gastvrijheid

20. In de rooms-katholieke eucharistie op de internationale congressen van de IEF is er in principe t.a.v. de niet-rooms-katholieke deelnemers geen openlijk uitgedrukte uitnodiging om de eucharistie te ontvangen, tenzij de plaatselijke bisschop het anders beslist. Maar er wordt ook geen verbod uitgesproken. Veeleer dient een toelating in praktijk gebracht te worden, volgens de bepalingen van het Œcumenisch Directorium (ED, 1993). Dat is in vele rooms-katholieke bisdommen en gemeenschappen de gebruikelijke praktijk.

21. Volgens het Tweede Vaticaanse Concilie (1962–1965) zijn er verschillende tussenstadia van (gedeeltelijke) kerkelijke communio, gaande van volledige kerkelijke afgescheidenheid tot volle kerkelijke gemeenschap. Daardoor rijst de vraag of tussenvormen tussen weigering van de eucharistie en volle eucharistische gemeenschap mogelijk, aanbevelenswaard en zelfs noodzakelijk zouden kunnen zijn. En dit overeenkomstig de akkoorden over het verstaan van de eucharistie die bereikt zijn in de officiële dialogen tussen de kerken, en de reeds bestaande toenaderingen tussen de kerken.

22. De term eucharistische gastvrijheid suggereert het standpunt dat, ofschoon volle kerkelijke communio nog niet bereikt is, toch een zodanige graad van overeenkomst in het geloof bereikt is dat een toelating tot de eucharistie te rechtvaardigen valt.

23. Wanneer het Tweede Vaticaans Concilie bevestigt dat “het deelnemen aan elkaars heilige diensten (communicatio in sacris) mag niet beschouwd worden als een middel dat men zonder onderscheid kan aanwenden voor het herstel van de eenheid onder de christenen”, dan erkent het Concilie dat het ten minste in sommige omstandigheden terecht zou kunnen gebruikt worden als een middel voor het herstel van de christelijke eenheid. Het Concilie verklaart zelfs dat “[de plaatselijke bisschop] met inachtneming van alle omstandigheden van tijd, plaats en personen een voorzichtig beleid moet voeren” (Unitatis Redintegratio, 8). Vandaar ons nederig verlangen dat de plaatselijke rooms-katholieke bisschop gebruik zou maken van zijn macht om voorzichtig te beslissen of de omstandigheden gepast zijn om de rooms-katholieke eucharistie, gevierd bij de buitengewone omstandigheid van een IEF congres, te beschouwen als een middel voor het herstel van de christelijke eenheid en onze zusters en broeders van andere kerken uit te nodigen tot de eucharistische tafel.

III. De profetische verantwoordelijkheid van IEF

24. Velen van ons komen uit confessioneel gemengde gezinnen, die hun roeping op bewust oecumenische wijze proberen te beleven. Wij delen met andere oecumenische organisaties een diep sociaal en spiritueel engagement.

25. IEF heeft, als oecumenische beweging, een bijzondere profetische verantwoordelijkheid tot het herinneren, tot het aansporen, ja tot het uitdagen van onze kerken om nog effectiever naar de zichtbare eenheid van de Kerk toe te werken; alsook om reeds vandaag de Kerk van morgen te beleven, door de kracht van de Heilige Geest.

IV. Overzicht van de denominationele posities en oecumenische overeenkomsten

26. Onder de leiding van de Heilige Geest heeft tussen de verschillende kerken en denominaties een veelheid van bilaterale en multilaterale dialogen plaatsgehad, die, onder andere, een baanbrekend keerpunt van de gesloten naar een (ten dele) open communie tot resultaat hadden. Hier volgen de met elkaar verbonden ontwikkelingen dienaangaande in de drie hoofdtakken van de christelijke godsdienst.

A. Intercommunie en intercelebratie: protestantse, anglicaanse en oud-katholieke kerken

27. In Europa werden de vroegere scheidingen tussen de belangrijkste protestantse denominaties (lutheraans, gereformeerd en geünieerd) overwonnen en overstegen door de volle gemeenschap van altaar en kansel te herstellen (Leuenberg Akkoord, 1973).

28. Een resultaat van gelijkaardig belang leverden de Verklaring van Meissen (1988) en vooral de Porvoo Overeenkomst (1994) tussen sommige anglicaanse en lutheraanse kerken.

29. Er bestaat ondertussen een opening op het vlak van intercommunie, door toelating tot deelneming aan de viering van de eucharistie voor leden van andere kerken, die gedoopt zijn en binnen hun eigen kerk gerechtigd tot deelneming aan de eucharistie.

30. Ook is er een voortschrijdende opening van de eucharistische communio door intercelebratie, waarbij voorgangers van andere kerken uitgenodigd worden voor te gaan in de eucharistieviering. Deze praktijk bestaat tussen anglicanen en oud-katholieken sinds de Overeenkomst van Bonn (1931).

31. Aansluitend bij het document Doopsel, Eucharistie en Ambt (BEM; Lima, 1982) van de Wereldraad van Kerken (WRK of WCC), kwamen er verschillende bilaterale en multilaterale dialogen en documenten tot stand tussen oud-katholieken, anglicanen, methodisten, lutheranen, gereformeerden en anderen, met als resultaat van een geleidelijke opening naar intercommunie toe.

B. Het gezegende brood van de vriendschap: orthodoxe kerken

32. In de orthodoxe traditie is de deelneming van niet-orthodoxe christenen aan de eucharistie in principe niet toegelaten, daar de eucharistie de volle kerkelijke gemeenschap impliceert. Toch wordt iedereen uitgenodigd tot deelname aan de Goddelijke Liturgie en het ontvangen, op het einde daarvan, van het gezegende brood van de vriendschap (antidoron) uit de handen van de priester.

C. Deelneming aan elkaars heilige diensten (Communicatio in sacris): de rooms-katholieke kerk

33. De rooms-katholieke kerk deelt met andere kerken het beginsel dat eucharistische gemeenschap volle kerkelijke gemeenschap vereist. Met het Decreet over het oecumenisme van Vaticanum II (Unitatis Redintegratio, 1964) opende de rooms-katholieke kerk zich meer dan ooit voorheen voor de gemeenschap met christenen van andere kerken, en heeft daarmee het verlangen, de hoop en het perspectief van eucharistische gemeenschap gewekt. De argumentatie van het decreet gaat als volgt:

34. “Want zij die in Christus geloven en geldig gedoopt zijn, treden in een zekere, zij het niet volkomen gemeenschap met de katholiek Kerk.” (UR 3.)

35. “Het doopsel vormt daarom de sacramentele band van de eenheid tussen allen die erdoor zijn wedergeboren. Toch is het doopsel op zich niet meer dan een eerste begin. Want het is immers geheel gericht op het verkrijgen van de volheid van het leven in Christus. Daarom is het doopsel gericht op de volledige belijdenis van het geloof, op de volledige inlijving in het heilsinstituut, zoals Christus zelf het heeft gewild, kortom op de volledige opneming in de eucharistische gemeenschap.” (UR, 22)

36. De principes van Unitatis Redintegratio werden in het Œcumenisch Directorium (1993) als volgt verder ontwikkeld: “Deelneming aan elkaars geestelijke activiteiten en rijkdommen moet dus de volgende tweevoudige feitelijkheid weerspiegelen: de werkelijke gemeenschap aan het leven van de Geest die reeds onder christenen bestaat en die tot uiting komt in hun gebed en liturgische eredienst; het onvolkomen karakter van deze gemeenschap vanwege de verschillen in geloof en denkwijze die niet te verenigen zijn met het zonder voorbehoud delen van de geestelijke gaven. De trouw aan deze complexe werkelijkheid vereist dat er normen worden vastgesteld voor geestelijke deelneming, waarbij de verscheidenheid van kerkelijke situaties in aanmerking wordt genomen die bestaat tussen de erbij betrokken kerken en kerkelijke gemeenschappen, zodat de christenen de geestelijke rijkdommen die ze gemeen hebben, naar waarde schatten en zich erover verheugen, maar ook de noodzaak beseffen om de nog bestaande scheidingen te overwinnen.” (ED 104.)

(Vertaling: Mark FAVRIL – Adelbert DENAUX)